
De Wabisabi van het westen
Leefgruis is de neerslag van levenservaringen. Een doorleefd gezicht is getekend door leefgruis. Een pluche konijn waar het linkeroortje af is geknuffeld, is gevuld met leefgruis. De essentie, de werkelijke betekenis van leefgruis, het meest stralende deel ervan, is onzichtbaar. Een ander deel heeft zich gematerialiseerd en draagt die stralende lading bescheiden maar dapper.
Onderin vrijwel elke damestas en in de meeste broekzakken zit zo'n laagje leefgruis.
Een ondefinieerbaar cocktailtje van stof, kruimeltjes, pluisjes, zand en misschien nog wel andere dingen ook, maar allemaal te vergruizeld om het nog te herkennen naar wat het ooit was. Leefgruis is wat er overblijft van onze activiteiten, onze ervaringen. Huidcellen die vervangen zijn door nieuwe. Restjes van de koek die dat slappe middagdipje wegwerkte. De herinnering aan een middagje strand- of boswandeling. Leefgruis heeft geen waarde. Het herinnert ons aan onze sterfelijkheid, in zekere zin, in de meest letterlijke betekenis: stof zijn we en tot stof zullen we weerkeren. Wie nooit iets meemaakt heeft een brandschone tas, zonder leefgruis. Geen restjes van verwerkte informatie, geconsumeerde kennis, genoten contacten. Niks geleerd.
Leefgruis is, zouden we kunnen zeggen, de wabisabi van het westen. Wabisabi is een prachtig principe uit de Japanse filosofie en betekent, kort samengevat: de schoonheid van de imperfectie. De vijver leeft pas als het rimpelloze oppervlak wordt bewogen door de kikker die er in springt. Dat waar we van genieten gaat zo voorbij. Perfectie bestaat uitsluitend in het enkele moment, voor de alerte waarnemer. In onze samenleving, waar het vooral draait om materie, hebben we afgeleerd om alert te zijn op dat enkele moment. We hebben spullen, goed genoeg, in onze tas en om ons heen. Daar gaat het toch om? Steeds meer voorwerpen worden zo uitstekend gemaakt dat we daaraan gewend, verwend en er enorm verveeld door raken. Van het hagelwitte designserviesgoed tot de genetisch gemanipuleerde aardappel: we schiepen het perfect. Zodra de invloed van ons gebruik of het weer op een voorwerp te zien is - een vingerafdruk, een vlek, een scheur, een ziekte - beschouwen we het voorwerp als ‘versleten’. Het is niet meer in oorspronkelijke staat, perfectie. Weg ermee. Perfectie lijkt aantrekkelijk omdat het de gedachte aan verval en de dood buiten houdt. Zodra het duister zich aandient, in de vorm van slijtage, verwijderen we het uit onze samenleving. Zelfs oude mensen, met rimpelige lichamen, hebben we liever niet in ons blikveld.
Het lijkt daardoor misschien alsof wij, mensen, de baas zijn over de materie, maar misschien heeft de materie wel van ons gewonnen.
Die begerenswaardige staat van perfectie is immers uitsluitend vol te houden door strikt levenloze voorwerpen. De vaas die nooit gebruikt wordt kan in alle rust perfect van vorm blijven. Een auto die altijd in de garage staat loopt nooit een deukje op en blijft prachtig in de lak zitten. Kiezen voor leven betekent bereid zijn te veranderen, een deukje op te lopen. Wijs worden betekent verdriet verwerken, pijn voelen. Wie die donkere kant van het leven buiten wil sluiten, komt nooit tot volle bloei.
(Bewerking tekst uit Damestasjeslezen, uitg. A3boeken)